Uit een studie van de ULB, uitgevoerd met steun van het RIZIV, blijkt dat het ontstaan van arbeidsongeschiktheid in grote mate voorspelbaar is. Op basis van administratieve gegevens en modellen voor artificiële intelligentie identificeren de onderzoekers vroege signalen die het mogelijk maken om tijdig in te grijpen, zo blijkt uit een analyse die half april werd gepubliceerd door het Kenniscentrum voor Arbeidsongeschiktheid.
België wordt al twee decennia geconfronteerd met een voortdurende stijging van het aantal mensen met arbeidsongeschiktheid, met een opvallende toename van langdurige situaties. In deze context onderzoekt de studie de capaciteit van ‘machine learning’-modellen om niet alleen het begin van arbeidsongeschiktheid te voorspellen, maar ook de duur ervan.
De resultaten tonen aan dat het risico om in het volgende jaar arbeidsongeschikt te raken met een hoge mate van nauwkeurigheid kan worden voorspeld. De sterkste determinanten zijn afkomstig uit het zorggebruik: ziekenhuisopnames, medicijnvoorschriften en de frequentie van medische consulten vormen bijzonder robuuste indicatoren. Carrièretrajecten, waaronder inkomen, loopbaanonderbrekingen en eerdere periodes van arbeidsongeschiktheid, versterken deze voorspellingen nog verder, terwijl sociodemografische variabelen een meer marginale rol spelen zodra deze factoren zijn geïntegreerd.
De studie wijst op een sterke concentratie van het risico. Een minderheid van de mensen vertegenwoordigt het grootste deel van de te verwachten instroom, terwijl de meerderheid een zeer laag risico vertoont. Deze verdeling maakt de weg vrij voor gerichte preventiestrategieën, gericht op de profielen met het hoogste risico.
De overgang naar langdurige arbeidsongeschiktheid lijkt daarentegen aanzienlijk moeilijker te voorspellen. Bij personen die al arbeidsongeschikt zijn, blijven bepaalde factoren geassocieerd met een langdurig verblijf in het systeem, met name leeftijd, indicatoren voor geestelijke gezondheid – zoals psychiatrische consulten of het gebruik van antidepressiva – en het algemene niveau van medisch gebruik. Een zwakkere verankering op de arbeidsmarkt vóór de periode van arbeidsongeschiktheid houdt eveneens verband met een verhoogd risico op voortbestaan in het systeem.
Een groot deel van deze ontwikkeling valt echter buiten de modellen. Klinische aspecten, de werkelijke arbeidsomstandigheden, de kwaliteit van de begeleiding en psychosociale factoren hebben een sterke invloed op individuele trajecten, zonder dat dit volledig wordt weergegeven in de administratieve databases. Deze asymmetrie benadrukt dat, hoewel het begin van arbeidsongeschiktheid grotendeels wordt bepaald door waarneembare factoren, de duur ervan meer afhangt van menselijke en organisatorische elementen.
De eerste maanden van afwezigheid lijken een doorslaggevende fase te zijn. De personen die snel weer aan het werk gaan, zijn over het algemeen degenen met de gunstigste vooruitzichten op herstel. Omgekeerd nemen de kansen op terugkeer na drie tot zes maanden aanzienlijk af en worden de profielen homogener, wat re-integratie bemoeilijkt.
Deze resultaten pleiten voor een vroegtijdige en gecoördineerde interventie. Intensievere medische en psychosociale begeleiding, het onderhouden van de band met de werkgever, de snelle aanpassing van de werkplek en het wegnemen van administratieve belemmeringen worden aangemerkt als belangrijke hefbomen om te voorkomen dat de situatie langdurig wordt. De studie benadrukt ook het belang van een nauwe samenwerking tussen huisartsen, bedrijfsartsen, ziekenfondsen en werkgevers, evenals het gebruik van hulpmiddelen die deze samenwerking vergemakkelijken, zoals het TRIO-platform.
De auteurs concluderen dat arbeidsongeschiktheid geen willekeurig fenomeen is, maar grotendeels te voorspellen is. Dit voorspellingsvermogen biedt concrete perspectieven om het preventiebeleid te sturen en interventies doeltreffender te richten, door in te grijpen vóór de breuk in de loopbaan in plaats van pas wanneer deze zich heeft voorgedaan.
> Het volledige rapport







