België behoort tot de meest geavanceerde OESO-landen op het vlak van digitale gezondheidszorg, maar het gebruik van elektronische patiëntendossiers, de uitwisseling ervan en de benutting van gezondheidsgegevens blijven ontoereikend. In haar dinsdag gepubliceerde economische studie pleit de OESO voor een betere uitwisseling van medische gegevens en een snellere inzet van artificiële intelligentie (AI) in de zorg, naar het voorbeeld van andere landen.
België staat bovenaan de ranglijst van de OESO-landen voor digitale toegang tot patiëntendossiers, maar patiënten raadplegen die nog relatief weinig. Volgens de PaRIS-enquête bekijkt ongeveer 20% van de Belgische patiënten van 45 jaar en ouder met chronische aandoeningen zijn dossier online, tegenover bijna 50% in Nederland. Volgens de OESO zijn sommige patiënten onvoldoende op de hoogte van de mogelijkheden om hun gegevens te raadplegen of ondervinden ze moeilijkheden bij het gebruik ervan.
Bij 45-plussers beschikt slechts 10% over voldoende digitale gezondheidsvaardigheden, tegenover gemiddeld 22% in de OESO-landen en 47% in Tsjechië. De organisatie verwijst naar het Britse programma 'Learn My Way', dat onder meer individuele opleidingen, persoonlijke begeleiding en activiteiten in bibliotheken, thuis of in woonzorgcentra aanbood.
Een nog onvolledig patiëntendossier
“Er blijven echter tekortkomingen bestaan op het vlak van de interoperabiliteit van digitale instrumenten”, stelt de OESO vast. Het actieplan e-Gezondheid 2026-2029 voorziet in de ontwikkeling van het Belgian Integrated Health Record (BIHR), een geïntegreerd patiëntendossier dat de uitwisseling van medische gegevens moet verbeteren.
Er blijven verschillende obstakels bestaan. Het Vlaamse platform Alivia, ontwikkeld voor patiënten met complexe zorgbehoeften, maakt de uitwisseling van gegevens met het federale niveau nog niet mogelijk. Ook de gegevens van revalidatiecentra en voorzieningen voor langdurige zorg zijn nog niet volledig geïntegreerd in de elektronische patiëntendossiers.
Die tekortkomingen hebben ook concrete gevolgen voor de financiering van de zorg. De OESO merkt op dat het KCE moeilijkheden ondervond bij de uitwerking van een forfaitair financieringsmodel voor de eerstelijnszorg, afgestemd op het profiel en de zorgbehoeften van patiënten, omdat bepaalde noodzakelijke gegevens ontbraken.
De organisatie verwijst naar Japan, dat gegevens over langdurige zorg geleidelijk integreert in de patiëntendossiers, en Denemarken, waar het systeem het mogelijk maakt het volledige zorgtraject van patiënten te analyseren. In Israël delen de vier ziekenfondsen informatie met zorginstellingen om patiënten met een hoog risico te identificeren en de continuïteit van de zorg te verbeteren.
Gezondheidsgegevens blijven moeilijk bruikbaar
In België wordt slechts 33% van de gezondheidsdatasets regelmatig gekoppeld voor onderzoek of analyse, tegenover gemiddeld 54% in de OESO-landen.
Een deel van de informatie wordt nog altijd bewaard in ongestructureerde pdf-bestanden, die moeilijk automatisch te verwerken zijn. De OESO beveelt aan de rol van de Health Data Agency te versterken en haar gegevenscatalogus uit te breiden, onder meer met het oog op de invoering van de Europese ruimte voor gezondheidsgegevens.
AI kan fouten en administratieve lasten verminderen
Artificiële intelligentie kan bijdragen tot een betere patiëntveiligheid en een hogere productiviteit in de zorg. Volgens ramingen die de OESO aanhaalt, zouden diagnostische fouten tot 17,5% van de gezondheidsuitgaven in haar lidstaten vertegenwoordigen.
In Denemarken en Nederland heeft het gebruik van AI bij de diagnose van borstkanker geleid tot hogere detectiecijfers. Deze technologieën zouden ook het opstellen van klinische verslagen en het verwerken van patiëntinformatie kunnen automatiseren.
Uit een Europese enquête uit 2017, waarnaar het rapport verwijst, blijkt dat 61% van de bevraagde zorgprofessionals aangaf tussen 20 en 60% van hun tijd aan klinische documentatie te besteden. AI zou die administratieve belasting kunnen verminderen en meer tijd vrijmaken voor patiënten.
Hoewel België relatief ver staat met de invoering van AI in de gezondheidszorg, is de nationale strategie nog in ontwikkeling. Het RIZIV heeft een evaluatieprocedure ingevoerd voor gezondheidsapps, waaronder toepassingen die gebruikmaken van AI. België beschikt echter nog niet over een regelgevend kader om deze technologieën onder toezicht uit te testen, in tegenstelling tot Denemarken, Finland en het Verenigd Koninkrijk.
Tot slot benadrukt de OESO het belang van AI-opleidingen voor zorgverleners. De organisatie verwijst naar het onderzoeksinstituut FARI, dat in Vlaanderen een opleiding heeft opgestart om zorgprofessionals vertrouwd te maken met de toepassingen, voordelen en ethische uitdagingen van AI. De OESO beveelt aan dergelijke initiatieven op nationaal niveau verder uit te bouwen.







